“Weten we van gekkigheid nog wel wat normaal is?”
“We laten steeds meer kinderen geloven dat ze ‘niet helemaal normaal’ zijn. Twintig jaar geleden had 1 op de 27 kinderen jeugdhulp nodig. Nu is dit al 1 op de 6 kinderen. En dat is alleen nog maar jeugdhulp. We hebben het hier nog niet over de extra inzet in het onderwijs. Dit betekent dat 1 op de 4 kinderen in de klas ‘anderen’ nodig heeft. Steeds meer kinderen en jongeren denken dat ze afwijken van de norm.” Met dit inzicht begon Bert Wienen* zijn inspiratiesessie ‘weten we van gekkigheid nog wel wat normaal is’.
Bert geeft als voorbeeld een advertentie van een psycholoog: ‘Je hebt recht op feest in je bovenkamer’. “Kinderen groeien op met het idee dat het áltijd ‘feest in je bovenkamer’ moet zijn. Daar zit een belangrijk vraagstuk onder: Wat is een normaal kind, of een normale leerling? En: hoe bepaal je wat normaal is?”
Kinderen worden de hele dag door met elkaar vergeleken
Bert vertelt: “Op elk moment van de dag kunnen ouders de voortgang van hun kind volgen. Ze kunnen inloggen om de cijfers van hun kind te bekijken. Het kind kan niet langer een geschikt moment afwachten om slechte cijfers aan zijn ouders te vertellen, want de ouders hebben ze al gezien. Ook worden de cijfers op ‘elk moment van de dag’ in Magister gezet, zelfs ’s avonds. Onze leerling ziet voor het slapen gaan zijn slechte cijfer, dat maakt het moeilijk om fijn te slapen. We vergelijken kinderen al vanaf een jonge leeftijd met elkaar. Zelfs zonder het te beseffen, willen ouders dat hun kind bij de besten hoort. Al heel vroeg wordt er gekeken naar het niveau van een kind. Als een kind onder het gemiddelde scoort, verschijnt er een rood vakje. Kinderen en jongeren zitten constant in een soort van ‘wedstrijd’. Wie presteert het beste? Wie heeft de beste scriptie? Wie is de beste metselaar? Er is altijd sprake van concurrentie. Het is dus begrijpelijk dat ouders denken dat er iets mis is met hun kind.
Hoe gaan we om met kinderen die niet aan onze norm voldoen?
Ondanks de nadruk op inclusiviteit in onze samenleving, valt er volgens Bert nog veel te verbeteren. In Nederland richten we ons vaak op het individu en stellen we de vraag: ‘Wat heeft deze leerling nodig om mee te kunnen doen?’. Bert beschrijft dit heel treffend: “We bundelen alle individuele OPP’s van onze leerlingen en daarop maken we beleid. Daarnaast zijn we gedrag aan het medicaliseren. We zeggen bijvoorbeeld: ‘Jij kunt er niets aan doen dat je niet kunt spellen.’ We geven het een label. Dit is natuurlijk niet alleen maar negatief. Het is positief dat nu veel meer zaken behandeld kunnen worden die voorheen niet mogelijk waren. Maar er is ook een keerzijde: steeds meer zaken worden als problemen beschouwd en moeten worden behandeld. Neem bijvoorbeeld ADHD. Jongens hebben een grotere kans op ADHD. Tien jaar geleden moesten jongens in groep 4 slechts 20 minuten op een stoel zitten om een rekentoets te maken. Nu moeten ze al 45 minuten stilzitten. Wat gebeurt er dan? De jongens worden rusteloos, beginnen te bewegen, kijken uit het raam als ze het even niet weten, staan op en maken lawaai in de klas. Dit zijn al vijf kenmerken van ADHD. En dan vraag ik me af: is het kind afwijkend of kunnen we de omgeving aanpassen?”
Wat betekent inclusief onderwijs voor de inrichting van het onderwijs?
Bert pleit ervoor dat we blijven kijken naar de veranderende omgeving. In plaats van te focussen op het individu, is het belangrijk om naar de context te kijken. In welke context groeien kinderen nú op? En wat betekent dit voor de aanpak in groep 3? Bert sluit af met een prachtig betoog: “Kinderen zijn allemaal als bloemen. De meeste kinderen zijn als paardenbloemen. Paardenbloemen hebben de eigenschap dat ze overal groeien, of het nu regent of de zon schijnt. Sommige kinderen zijn echter als orchideeën. Zij hebben juist een specifieke omgeving nodig, soms warmte en soms juist niet. We zien de orchidee niet als een ‘zieke paardenbloem’. We vragen niet aan de orchidee: ‘Wat heb jij nodig om een paardenbloem te worden?’ Toch doen we dit stiekem de hele dag met onze kinderen.
De kracht van inclusief onderwijs is juist dat we uitzoomen, in plaats van inzoomen. Denk niet in termen van ‘normaal’ of ‘afwijkend’, maar probeer een omgeving te creëren waarin alle kinderen naast elkaar kunnen bestaan en opgroeien.”
*Over de spreker
Bert Wienen werkte in de jeugdhulp en voor het onderwijs. Sinds 2018 is hij associate lector bij het lectoraat Jeugd van hogeschool Windesheim. Daarnaast werkt hij als zelfstandig adviseur voor gemeenten, onderwijs en jeugdhulp. Wienen is opgeleid als psycholoog, bedrijfskundige en onderwijswetenschapper en promoveerde in 2019 aan de Rijksuniversiteit Groningen op de rol van diagnoses in de onderwijspraktijk.
