Vier perspectieven op het nieuwe ondersteuningsplan

Samen bouwen aan een inclusieve school, wijk en samenleving

 

Hoe zorgen we ervoor dat kinderen dichtbij huis kunnen opgroeien, leren en meedoen? En wat vraagt dat van scholen, gemeenten, ouders, kinderopvang, zorgpartners en het samenwerkingsverband? Dat staat centraal in het nieuwe ondersteuningsplan van Samenwerkingsverband Twente Oost PO.

Het ondersteuningsplan sluit aan bij de ambitie van de overheid: in 2035 is het onderwijs inclusief. Het plan laat zien waar het samenwerkingsverband nu staat en schetst de route naar 2030 en 2035. Centraal daarin staan drie samenhangende ambities: de inclusieve school, de inclusieve wijk of het inclusieve dorp en een inclusief samenwerkingsverband.

Maar hoe kijken de mensen die dagelijks betrokken zijn naar deze beweging? Wat spreekt hen aan in het plan? Waar zien zij kansen? En wat is er volgens hen nodig om de ambities werkelijkheid te maken? Vanuit vier verschillende perspectieven wordt gereflecteerd op het nieuwe ondersteuningsplan.

Annemieke Traag (wethouder gemeente Hengelo): verbinding als sleutel voor inclusie

Voor wethouder Annemieke Traag sluit het ondersteuningsplan naadloos aan bij de manier waarop de gemeente kijkt naar opgroeien. “We vinden dat ieder kind mee moet kunnen doen en het liefst zo dicht mogelijk bij huis naar school kan gaan.” Voor haar draait het vooral om verbinding. Dat betekent dat onderwijs, jeugdhulp, kinderopvang, ouders en de wijk niet los van elkaar werken, maar elkaar opzoeken en versterken in het dagelijks contact rond kinderen. “Hoe dichter we die partijen bij elkaar brengen, hoe beter we kinderen kunnen ondersteunen.”

Anders kijken naar kinderen en hun ontwikkeling

Volgens haar begint inclusief onderwijs niet bij een diagnose of een ondersteuningsvraag, maar bij de vraag wat een kind nodig heeft om mee te kunnen doen. “Voordat we allerlei labels of diagnoses stellen, kijken we eerst wat een kind nodig heeft. Wat kan een kind zelf? Wat kunnen ouders doen? Wat kan de school doen? En wat kunnen we in de omgeving aanpassen?” Ze noemt een voorbeeld dat veel leerkrachten herkennen. Een kind dat druk gedrag laat zien in de klas hoeft niet automatisch de diagnose ADHD te krijgen. “Misschien helpt het als een kind even naar buiten kan om energie kwijt te raken en daarna weer aansluit in de les.” Juist die blik op de context past volgens haar bij normaliseren van gedrag: niet direct problematiseren, maar eerst kijken wat er in de omgeving mogelijk is.

Inzetten op de vroege ontwikkeling van kinderen

De grootste kans voor de komende jaren ziet zij in de vroege ontwikkeling van kinderen. “Vooral in de eerste jaren kunnen we nog stappen zetten.” Ze doelt daarbij op kinderopvang en voorschoolse voorzieningen. “Jonge kinderen leren ontzettend snel. Hoe eerder je daarop inzet, hoe groter de winst. Dat is een mooie uitdaging voor de komende jaren.”

Kansengelijkheid en inclusie

Voor Annemieke zijn kansengelijkheid en inclusiviteit onlosmakelijk met elkaar verbonden. “Voor mij zijn kansengelijkheid en inclusiviteit eigenlijk yin en yang. Of een kind nu uit een kansrijke of kwetsbare omgeving komt, extra ondersteuning nodig heeft of juist niet, iedereen verdient dezelfde kansen en een gelijke start. Waar je ook vandaan komt, wie je ook bent en hoe je er ook uitziet: ieder kind verdient een mooie schooltijd.”

 

Robert Everink (lid Raad van Bestuur): van individuele ondersteuning naar een sterke basis voor alle kinderen

Volgens Robert, directeur-bestuurder SKOLO, hebben we de afgelopen jaren vaak gekeken naar individuele ondersteuning voor kinderen. Dat blijft soms nodig, maar veel oplossingen liggen volgens hem in een sterke basis voor alle kinderen. “Als je goed kijkt, hebben veel kinderen baat bij dezelfde dingen. Een duidelijke structuur, voorspelbaarheid, vaste routines en heldere verwachtingen helpen niet alleen één leerling, maar vaak de hele groep.”

Kinderen leren van elkaar

Wanneer een leerling bijvoorbeeld onrust veroorzaakt in de groep, hoeft de oplossing niet altijd uitsluitend bij die leerling gezocht te worden. “Je kunt ook met de hele groep afspraken maken over hoe je met elkaar omgaat. Kinderen kunnen van elkaar leren. Natuurlijk kan gedrag soms irritatie oproepen, maar juist daarom moet je er samen over praten. Daarmee verschuift de aandacht van het individuele kind naar de gemeenschap waarin dat kind leert en opgroeit.”

Verschillen mogen er zijn

Voor Robert vormt de inclusieve wijk of het inclusieve dorp een van de belangrijkste ambities uit het ondersteuningsplan: “Kinderen groeien het liefst op tussen andere kinderenuit hun eigen buurt.

Ze leren elkaar kennen, voelen zich gezien en erkend. Tegelijkertijd leren ze dat verschillen er mogen zijn. Iedereen ontwikkelt zich op zijn eigen manier en juist dat maakt een gemeenschap sterk.” Daarom ziet hij thuisnabij onderwijs als veel meer dan een onderwijsvraagstuk. Het gaat ook over vriendschappen, sportclubs, speelplekken en onderdeel zijn van een gemeenschap. “Daar valt nog veel winst te behalen.”

Erkennen dat het soms ingewikkeld is

De beweging naar inclusiever onderwijs en inclusieve wijken vraagt tijd. Scholen hebben al veel maatschappelijke opdrachten. Ook gemeenten, zorgorganisaties en kinderopvang hebben hun eigen uitdagingen. Juist daarom vindt hij het belangrijk om realistisch te blijven. “Het begint met erkennen dat het soms ingewikkeld is. Maar daarna moet je blijven kijken naar wat wél mogelijk is.” Die vraag geldt voor iedereen die betrokken is bij de ontwikkeling van kinderen. “Wat kan ik doen als leerkracht? Wat kan ik doen als bestuurder? Wat kan een gemeente doen? Wat kan de school doen? Wat kunnen ouders doen? Als alle partijen om het kind gaan staan, kunnen we samen veel bereiken.” Net als de wethouder vindt ook Robert dat inclusiviteit al begint vóór de basisschool. “De doorgaande lijn begint eigenlijk al tussen nul en vier jaar. Dat verdient de komende jaren nog meer aandacht.”

 

Willem Loupatty (lid Raad van Toezicht): school is onderdeel van een groter geheel

Willem Loupatty, directeur-bestuurder Wijkteams Enschede, ziet school als onderdeel van een groter geheel. “Een school maakt onderdeel uit van het ecosysteem waarin kinderen wonen, leven en elkaar ontmoeten.” Dat ecosysteem bestaat uit veel meer dan onderwijs alleen. Kinderen groeien op in gezinnen, buurten en verenigingen. Ze hebben te maken met zorg, welzijn en gemeentelijke voorzieningen. Wanneer die werelden onvoldoende verbonden zijn, ontstaat versnippering. “Als onderwijs en jeugdzorg onvoldoende verbonden zijn, bestaat de kans dat verschillende organisaties hetzelfde doen zonder het van elkaar te weten.”

Dit plan is een aftrap, het echte werk begint nu

Daarom spreekt hem vooral aan dat het ondersteuningsplan steeds uitgaat van samen optrekken. Toch benadrukt hij dat het schrijven van een plan nog maar het begin is. “Dit plan is een aftrap. Het echte werk moet nu beginnen.” Dat echte werk zit volgens hem in de dagelijkse samenwerking tussen mensen. In elkaar kennen, begrijpen en opzoeken. Hij geeft een voorbeeld dat goed past bij de ambitie van de inclusieve wijk. Veel scholen beschikken over ruimtes, ontmoetingsplekken en voorzieningen die buiten schooltijd nauwelijks worden gebruikt.Tegelijk zoeken welzijnsorganisaties, verenigingen en bewoners naar plekken om elkaar te ontmoeten. “Je hebt een gebouw in de wijk staan dat om vijf uur dichtgaat. Dan is het logisch om de vraag te stellen: kunnen we dat niet slimmer organiseren? Hoe dat eruitziet, verschilt per omgeving.

In een dorp krijgt die samenwerking vaak vorm tussen school, verenigingen en het dorpshuis. In een stad gebeurt dat bijvoorbeeld binnen een wijk, waar scholen, welzijnsorganisaties en buurtvoorzieningen elkaar versterken.”

De kracht van gemeenschappen

Willem gelooft sterk in de kracht van gemeenschappen. Hij geeft een voorbeeld van ouders die na een scheiding tegen praktische problemen aanlopen. “Wie brengt de kinderen naar school? Wie haalt ze op? Vaak proberen ouders dat alleen op te lossen. Terwijl er misschien meer gezinnen zijn die tegen hetzelfde aanlopen.” Wanneer een school een gemeenschap vormt, ontstaan ook gezamenlijke oplossingen. “Misschien kun je samen vervoer regelen of elkaar helpen. Dat gebeurt vanzelf als mensen elkaar kennen.” Volgens hem liggen er veel oplossingen al voor het oprapen. “Er gebeurt ontzettend veel in een wijk. Alleen verbinden we het nog onvoldoende met elkaar.”

Bestuurlijke keuzes en gezamenlijke taal

In de uitvoering weten mensen elkaar vaak wel te vinden, zegt Willem. Ze spreken over hetzelfde kind, hetzelfde gezin of dezelfde wijk. “Maar het gaat mis, zodra er geen ruimte en tijd wordt gemaakt om elkaar echt te spreken.” Volgens hem zit daar een belangrijke opgave, op alle lagen. Niet alleen in de klas en in de dagelijkse praktijk, maar juist ook in de keuzes op bestuurlijk en beleidsniveau. “Je moet steeds uitspreken wat je belangrijk vindt. Als je zegt dat een school onderdeel is van de wijk, dan hoort daar ook iets bij in de manier van samenwerken. Het begint al bij het gebruiken van dezelfde taal: dezelfde woorden, dezelfde betekenis en hetzelfde beeld van wat je samen wilt bereiken.” Het ondersteuningsplan helpt volgens hem vooral om dat gesprek goed te voeren. “Het geeft de basis om samen scherp te krijgen wat dat vraagt in de praktijk.”

 

Loes Rouwhorst (ouder en OPR-lid): Twents noaberschap als fundament

Waar de andere perspectieven zich richten op systemen en samenwerking, brengt OPR-lid Loes Rouwhorst het verhaal terug naar de dagelijkse werkelijkheid van kinderen en ouders. Ze beschrijft wat er gebeurt wanneer een kind niet naar school gaat in de eigen omgeving. “Je kunt je er wel iets bij voorstellen als je kind niet thuisnabij naar school gaat en iedere dag met een bus naar het speciaal onderwijs moet. Dan wordt contact maken met kinderen uit de buurt veel lastiger. Samen spelen na school, uitgenodigd worden voor een kinderfeestje of gewoon spontaan afspreken. Dat wordt allemaal ingewikkelder. Niet alleen voor kinderen heeft dat gevolgen. Ook ouders bouwen minder makkelijk een netwerk op in de eigen omgeving.”

Erbij horen als vertrekpunt

Voor haar draait inclusie vooral om erbij horen. Volgens Loes vraagt dat om een andere manier van kijken. “We zijn gewend om te kijken naar wat een leerling nodig heeft, omdat er iets niet lukt. Maar je kunt ook kijken hoe je de omgeving kunt aanpassen, zodat meer kinderen mee kunnen doen.” Die gedachte sluit voor haar aan bij iets dat diep verankerd zit in Twente: noaberschap. “De gedachte dat je naar elkaar omziet. Dat je er bent voor je buren en voor je gemeenschap.” Juist daarin ziet zij een natuurlijke verbinding met de inclusieve school en de inclusieve wijk. “In Twente doen we dit eigenlijk al. We helpen elkaar. Nu mogen we die gedachte nog sterker verbinden aan scholen en kinderen.”

De voorwaarden om de ambitie waar te maken

Loes weet als OPR-lid dat de ambitie alleen werkelijkheid wordt wanneer de praktijk daar ook op is ingericht. De ambitie dat in 2035 het onderwijs inclusief is, vraagt veel van onderwijsprofessionals. “Leerkrachten moeten de ruimte krijgen om hun werk goed te doen. Ondersteuners moeten een vanzelfsprekend onderdeel zijn van het team: niet als extra hulp achteraf, maar als structurele partners in het dagelijks onderwijs. En scholen hebben niet alleen een duidelijke koers nodig, maar ook voldoende tijd, middelen en passende randvoorwaarden om die koers daadwerkelijk te kunnen realiseren.” Loes ziet dat deze voorwaarden nog niet overal stevig genoeg zijn verankerd. “Juist daarom blijven de eerlijke verhalen uit de praktijk en de ervaringen van ouders, leerlingen en professionals een vaste plek houden binnen de gesprekken van de OPR.”

Inspelen op verschillen tussen kinderen

“Het is belangrijk dat iedereen leert kijken vanuit inclusieve bril.” Daarbij hoort volgens haar ook dat ondersteuning veel eerder beschikbaar komt dan nu vaak gebeurt. “Deskundigen komen nu vaak pas in beeld als de alarmfase al bereikt is. Terwijl het juist helpt als de expertise eerder aanwezig is. Dat het normaal wordt dat professionals meekijken in de dagelijkse context van een kind.” Wanneer een aanpassing nodig is voor één leerling, hoeft die volgens haar niet exclusief voor die leerling te zijn. “Als iets werkt voor één kind, waarom zou dat dan niet helpend en werkend zijn voor meer kinderen? Inspelen op verschillen hoort geen uitzondering te zijn, maar de norm in het onderwijs. Juist daardoor leren kinderen van elkaar. Ze groeien op met verschillende perspectieven, achtergronden en ondersteuningsbehoeften. Dat maakt een school rijker.” En het belangrijkste: “Dat je jezelf mag zijn als kind.”

 

 

 

 

Wil je meedenken en invloed uitoefenen op de ontwikkeling van inclusief onderwijs in de regio? Dan biedt deelname aan de OPR een mooie kans om mee te bouwen aan de toekomst van kinderen in Twente. Klik hier voor meer informatie!